Toegepaste archeologie als meerwaarde in de RO

Transitie van een archeologische naar een maatschappelijke insteek

20 augustus 2020

Boudewijn Goudswaard is archeoloog/historicus en directeur van The Missing Link – erfgoedmanagement consultants. Zijn adviesbureau helpt al twintig jaar ontwikkelaars om het risico van archeologie te beperken. Tegelijkertijd zetten zij  archeologie en erfgoed in om de identiteit van de leefomgeving te benutten in ruimtelijke projecten. Daarmee ontstaat een geworteld imago. Grondslag van de bedrijfsactiviteiten vormt de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), als onderdeel van de Erfgoedwet.
Boudewijn Goudswaard

Boudewijn Goudswaard

Kinderen spelen archeoloogje door films met Indiana Jones. Boeken van Harari als Sapiens en Homo Deus over de geschiedenis van de mensheid zijn internationale bestsellers. Is archeologie het spannendste beroep ter wereld? Misschien niet, want ik hoor de archeologen in de ruimtelijke ontwikkeling regelmatig verzuchten dat opdrachtgevers niet op het resultaat van hun onderzoeken zitten te wachten en dat kwaliteit leveren moeizaam gaat. Waardoor is er een kloof tussen perceptie en praktijk? Misschien omdat archeologen al decennialang hetzelfde doen terwijl de wereld ingrijpend verandert. Zuchten over kwaliteit van iets dat je opdrachtgever niet wil hebben? Misschien wordt het dan tijd iets te gaan maken waarvoor de samenleving wel wil betalen. Om met Einstein te spreken: “als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg”. Welke wetenschappelijke én maatschappelijke bijdrage kan de archeologie en het erfgoed leveren om het vak opnieuw op de kaart te zetten? De erfgoedwetgeving biedt hiervoor volop mogelijkheden. In het licht van de komende evaluatie van die wet, pleit ik voor een wezenlijk nieuw eindproduct van de “ruimtelijke ordeningsarcheologie”. Een product met minder sectorale archeologiekennis bestemd voor een select groepje professionals, maar met veel meer waardetoevoeging voor de gebiedsontwikkeling. Dat is immers het decor waarbinnen de archeologie zich afspeelt.
Ik gebruik de termen archeologie en erfgoed overigens door elkaar, omdat archeologie onderdeel is van het erfgoed en mijn verhaal op beide van toepassing is.

Nieuwe wetgeving, nieuwe kansen

In 2007 ging de Monumentenwet uit 1988 volledig op de schop. Met de nieuwe WAMZ werd het Europese Verdrag van Valletta/Malta geïmplementeerd. Het gevolg is dat de besluitvorming over de archeologische waarde en de maatregelen niet langer beperkt is tot de academische en culturele sector, maar onderdeel is van de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. Dat biedt een fantastische kans voor archeologen. Ze worden voor het eerst serieus genomen in de ‘wereld van de RO’, omdat vanaf nu elk stukje grond in Nederland vooraf moet worden beoordeeld op archeologische waarde. Gebeurt dat niet, dan kan er geen bouwvergunning worden afgegeven. Een walhalla aan mogelijkheden dus. Als kers op de taart gaat de ontwikkelaar ook nog betalen voor de archeologische activiteiten. Dit biedt een uitgelezen omgeving voor archeologen om hun waarde te bewijzen, zou je zeggen.

De KNA als zelf aangestelde gildemeester

Gek genoeg is er maar weinig veranderd aan het archeologische product sinds de komst van de nieuwe wetgeving. De vergelijking dringt zich op met ingesleten karresporen in de straten van Pompeii. De vrijheid die de nieuwe wetgeving biedt om de gebaande paden te verlaten en aan de gang te gaan, lijkt op twee plekken geblokkeerd te zijn. Dit is enerzijds veroorzaakt door de professionals zelf en hun Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Met de KNA hebben zij een academisch normenstelsel middenin het ruimtelijk proces geparachuteerd. Normen zijn goed, maar deze invulling ontneemt het zicht op de potentiële toegevoegde waarde van archeologie voor de samenleving als financier. Kunnen archeologen de ‘middeleeuwse gilderegels’ van de KNA creatiever invullen? Anderzijds wordt verandering geblokkeerd door een gebrek aan maatschappelijke visie van alle overheidslagen op de toegevoegde waarde van de Malta-archeologie aan de leefomgeving. Veel bestuurders van lagere overheden zien Malta nog als een ‘moetje’ en zijn niet geïnteresseerd in de mogelijkheden die de archeologische uitkomsten bieden. Dat komt ook deels doordat de meeste professionals een nogal sectorale invulling aan de archeologische uitvoering geven, geregeerd door  archeologische kennisleemtes.

Parallel met de flora- en faunawet 

Een paar jaar geleden vroeg een ontwikkelaar mij wat archeologen en erfgoedspecialisten eigenlijk bijdragen aan de integrale opgaven in de ruimtelijke ontwikkeling, waaruit ze worden gefinancierd. Hij zette de aanval stevig in door de parallel te trekken met de flora- en faunawetgeving. “Als ik jullie benadering van de archeologiewet zou vertalen naar de flora- en faunawetgeving, dan klimmen onderzoekers op dit gebied in mijn plangebied eerst in een boom, om de natuur een jaar lang vanuit een academisch perspectief te bestuderen. Daarbij laten ze zich leiden door onderzoekseisen die ze zelf opstellen en die de buitenwacht niet begrijpt noch kan beoordelen. Ze bestuderen ieder detail van de boom: de cellen, takken en fotosynthese. Eindresultaat is een wetenschappelijke publicatie, die hooguit nog door vakgenoten wordt bekeken. Vervolgens zaag ik de boom om, zodat er ruimte komt voor de geplande ontwikkeling.”

De vergelijking zou mank kunnen gaan omdat nog wel eens wordt beweerd dat natuur zelfstandig regenereert en archeologie niet. Dat klopt niet. Ook biologen zien soorten definitief verdwijnen. Daarentegen is onze huidige leefomgeving een onmetelijk archeologisch archief dat dagelijks aangroeit met nieuwe menselijke activiteit. Loesje schrijft niet voor niets: “onze geschiedenisleraar krijgt het iedere dag een beetje drukker”.

Uit het ingesleten spoor

Evenmin als de erfgoedwet is de flora- en faunawetgeving niet bedacht om wetenschap te bedrijven. Ze zijn bedacht om een integrale en democratische afweging te kunnen maken over welke natuur c.q. cultuur van waarde is om te bewaren en te benutten bij nieuwe ontwikkeltrajecten. Het woord wetenschap komt in de archeologische wetgevingstekst ook niet voor. De erfgoedwetgeving is een gevolg van het Europese Verdrag van Valletta. Toch is de wettelijke vertaling van dit verdrag typisch Nederlands en dat wordt nog wel eens over het hoofd gezien. De doelstelling om het bodemarchief beter te beschermen en niet ongezien verloren te laten gaan, staat weliswaar voorop. Daarentegen is de besluitvorming over wat er moet worden behouden en op welke manier, een onderdeel van een democratische afweging geworden. Ook is in Nederland de uitvoering door de markt gefinancierd. Door deze Nederlandse invulling denk ik dat de gekozen doelstelling alleen is te realiseren als de opbrengst een aantoonbaar maatschappelijke toegevoegde waarde heeft, voor zowel beslisser als financier. Hoewel sommige archeologen vrede lijken te hebben met een “boete” die de samenleving betaalt voor het verstoren van de bodem, zou een andere aanpak de ruimtelijke ordeningsarcheologie een stuk leuker maken. Het beoogde resultaat is dan een plezierig leefklimaat, waarin op verantwoorde en toetsbare wijze diverse belangen in balans zijn gebracht. Dat lijkt ook de achterliggende doelstelling van de Rijksoverheid die het programma ‘Erfgoed telt’ immers in de wereld heeft geholpen met een subsidiebedrag van meer dan 300 miljoen euro. Volgens de bedenkers is dat bedrag zeker niet alleen bedoeld voor het spoor van kennisverwerving over het archeologisch bodemarchief als onderdeel van een academische discipline. Het lijkt nog niet door te dringen bij alle belanghebbenden. De meeste traditioneel opgeleide archeologen zien de toevoeging van kennis over het verleden nog als enige einddoel. Ik pleit ervoor dat de uiteindelijke toepassing van de kennis over het verleden het feitelijke eindproduct van de ruimtelijke ordeningsarcheologie zou moeten zijn. Dat is misschien een extreme gedachte, maar de moeite van het proberen waard. De relatie tussen het kennis spoor en het toepassing spoor is te zien in onderstaande flowchart. Daarin behoort het archeologische kennisonderzoek nog steeds tot de mogelijkheden. Het onderzoek zou echter niet alleen een sectoraal archeologisch kennisdoel moeten hebben. Dat is slechts een tussenproduct voor de ruimte. Het einddoel is de toepassing van de kennis over het verleden ten dienste van een duurzame leefomgeving. Die nieuwe insteek zal een uitdaging blijken als je kijkt naar de huidige invulling van de archeologische programma’s van eisen.

Voortrekkers van de nieuwe richting 

We zien gelukkig steeds meer duurzame gebiedsontwikkelingen die tot stand komen op basis van gebiedseigen kenmerken. Daardoor beginnen ook de archeologische academische panelen te schuiven.

Ik sprak laatst met onderzoekers op dit gebied, waaronder Rick Zeeuwen en Pim Alders van Saxion Hogeschool. Ze vertelden me dat de Universiteit Leiden en Saxion Hogeschool samen werken aan een Master Applied Archeology. Hierin is waardecreatie een centraal thema. De student leert hoe erfgoed een bijdrage kan leveren aan de samenleving, mede met het oog op (toekomstige) maatschappelijke, ruimtelijke en economische opgaven. Dat gaat goed dus!

Benjamin Vis van de Universiteit van West Bohemen verwoordde de  oplossingsrichting als volgt: “Interpretatie van data uit erfgoed en archeologie zou direct moeten worden toegepast op ruimtelijke, sociale, economische en ecologische duurzaamheidsvraagstukken. Deze zienswijze heeft het label ‘applied archaeology’ gekregen: een richting waarin wordt gezocht naar meer analytisch-inzichtelijke waardecreatie in ontwikkeling. Dat omvat dus meer dan de traditionele sectorale kennisverwerving en waardebepaling in het erfgoedmanagement. Niet iedere academische archeoloog zit overigens op deze mogelijkheden te wachten. Ook andere disciplines of werkvelden zijn niet direct overtuigd van de meerwaarde van ‘applied archaeology’ in ontwikkeltrajecten. De transitie vereist polemiek, creativiteit en anders denken. Het gaat mijns inziens om een belangrijk deel van het toekomstig karakter van de discipline, binnen en buiten het academische werkveld. Dit betekent wegblijven van protectionisme en uit onze ivoren toren komen. Archeologische kennis zou vanaf de start van een project kunnen bijdragen aan het ontwikkelvraagstuk.”

Vrijbaan voor applied heritage?

Toepassing van erfgoed is steeds meer gemeengoed in de gebouwde monumentenzorg. Deze benadering inspireert en geeft richting aan de stedenbouw, architectuur, sociale cohesie en inrichting van de openbare ruimte. Ik wil hier dan ook pleiten voor applied archaeology en eigenlijk liever nog breder, voor ‘applied heritage’, want die scheidlijn is dun en maakt het concept sterker. Studenten denken samen na over toegepaste archeologie en dus over de waardetoevoeging met erfgoed. Ze leren om dóór te vragen naar de bijdrage van academische kennis over het verleden aan een betere en meer duurzame leefomgeving. Ruimtelijke inrichters kunnen verder werken met hun antwoorden, omdat ze weten welke geschiedenis zit opgeslagen in het plangebied waarin mensen hebben gewoond en gewerkt. Deze aanpak moet niet alleen worden gefaciliteerd door de genoemde ErfgoedDeal-subsidie van het Rijk, maar vooral uit het bestaande onderzoek met andere overheden die meedenken. De gemeentelijke overheid zou een voortrekkersrol kunnen nemen door het sectoraal dichtgetimmerde systeem open te breken en uitvoerende partijen een visie en kader mee te geven. De Rijksoverheid kan zich dan richten op zaken van nationaal belang en synthetiserend onderzoek beter faciliteren, in plaats van inhoudelijk op het democratisch archeologisch besluitvormingsproces in gemeenteland. Het Rijk spreekt vaak over ‘integrale benadering’ en ‘identiteit’, maar als “omgevingswetdenkende” gemeenten dit in praktijk brengen in hun beleid, worden ze verrassenderwijze teruggefloten. Tijd voor omdenken dus.

Het verhaal van de plek 

Voor de nieuwe benadering moeten de betrokkenen bij een plangebied eerst samen bepalen welke van de vele mogelijke verhalen en thema’s ze willen benutten voor een gebiedsidentiteit. Het thema van dat verhaal is de basis voor de identiteit van het gebied en richtinggevend voor de nieuwe ontwikkeling. Archeologie levert, in combinatie met gebouwd erfgoed, historisch landschap en geschreven bronnen, één van de componenten voor de identiteit. Saxion omschrijft dit als: de stap van “collectie naar connectie” Vervolgens kan worden onderzocht met welke middelen het (nieuwe) gebiedsimago wordt verteld in de stedenbouw, de architectuur, de openbare ruimte en het sociale domein. Het is daarbij van groot belang dat de  betrokkenen een stem hebben. Zo wordt het verhaal van de plek verbonden wordt met de beleving van de toekomstige plek.

Identificatie is overigens slechts één aspect van archeologische toepassingen die mogelijk zijn. Ook bijdragen aan duurzaamheidsbeginselen, onderhouden van productieve sociaal-ecologische relaties en kansengelijkheid worden mogelijk. Zowel ruimtelijk, economisch als sociaal kunnen we de koppelkansen benutten.

Kennis van het gebiedsverleden zoals archeologen en erfgoed professionals die leveren, biedt inspiratie voor een ruimtelijke inrichting, waarin mensen zich sneller thuis voelen en graag willen zijn. Het stimuleert architectuur die voelt als een maatpak en creëert openbare ruimte die de bewoner een geworteld gevoel geeft. Ook civiel-technisch, of op het gebied van de waterhuishouding, kan het verleden inspireren. Een gezamenlijk en kloppend gebiedsimago versnelt het samenwerkingsproces van de gebiedsontwikkeling en legitimeert veranderingen en keuzes. Het bevordert zelfs de sociale cohesie in een wijk. Hierdoor voelen bewoners zich verantwoordelijk met als gevolg besparing op onderhoud en beheerkosten van gebouw en openbare ruimte.

Gebieden en opstallen met een eigen karakter en verhaal hebben een langere levensduur en exploitatie, met als extreem voorbeeld de Amsterdamse grachtengordel. Ook toerisme dat vanuit een geloofwaardige gebiedsidentiteit wordt ontwikkeld, zal op de aspecten people, planet en profit beter scoren.

Vertrekpunt voor toegepast erfgoedonderzoek

Als archeologen maatschappelijk betekenisvoller willen worden, is het noodzakelijk om op een andere manier te gaan werken. Die nieuwe aanpak is vervat in de volgende vertrekpunten voor applied heritage:

  1. Denk vanuit de nieuwe leefomgeving 

    Formuleer voorafgaand aan ieder archeologisch onderzoek niet alleen een archeologisch kennisdoel, maar identificeer ook paden naar eindproducten met toegevoegde waarde voor de inrichting van de nieuwe leefomgeving. Bedenk samen welke archeologische en erfgoedkennis betekenis kan hebben voor de bewoners of bezoekers naar de nieuwe plek kan trekken. Geef aan hoe archeologie gaat bijdragen op het niveau van zichtbare en tastbare elementen en in oplossingen die in het verleden werkbaar waren. De koppelkansen met de Sustainable Development Goals van de UN zijn daarvoor een handig hulpmiddel.

  2. Werk samenMaatschappijgericht werken vraagt om een ander type organisatie gebaseerd op begrip voor het werk van alle betrokken partijen. Wat doet de ontwikkelaar, de architect, de stedenbouwkundige en de marketeer voor bewoners en gebruikers van de plek? En hoe kun je hierop aansluiten als archeoloog of erfgoedspecialist? Leer elkaars taal spreken. Kijk over je eigen vakgrenzen heen om samen een duurzame en inspirerend leefomgeving te realiseren. Integraal werken en co-creatie zijn niet voor niets de basis ingrediënten van de nieuwe omgevingswet.
  3. Vertel verhalen en verwerf daarmee en plek aan de ontwikkeltafel 

    Archeologen moeten terug naar hun oorsprong als verhalenvertellers. Dat is een eerste vereist voor draagvlak en om gehoord te worden. Daarna moeten ze zich hardmaken voor hun erkenning als kennisintensieve ontwikkelspecialisten en procesdenkers. Dat kunnen ze goed, maar het komt er vaak niet meer van door alle regels van hun eigen Gilde, gebaseerd op oude producten. Zoek uit welke memorabele gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in het gebied, welke markante mensen er hebben geleefd en wat kenmerkend was voor de volksaard of bedrijvigheid. Breng de verhalen daarover met verve, dan motiveer je als ‘makelaar in identiteit’ bij de betrokkenen in de ruimtelijke ontwikkeling. Dan heb je gehoor en komt de volgende belangrijker stap om de ruimtelijke, economische en sociale kennis van het gebied toe te passen aan de omgevingsbesluittafel en in het nieuwe ontwerp.  Gelukkig zijn hiervan al goede voorbeelden buiten de archeologie in de bredere erfgoed sector, dus laten we daar van leren (o.a. door Michiel van Iersel van de Reinwardt Academie en door The Missing Link). Erfgoed wordt één van de randvoorwaarden voor een duurzame ruimtelijke ontwikkeling.

Kort en goed 

Archeologen en erfgoedprofessionals hebben het potentieel om veel meer bij te dragen aan een mooier Nederland dan ze nu doen. Ze kunnen met hun verhalen over het gebied ontwerpers inspireren, samenwerking stimuleren en verandering legitimeren. Dat is een kwestie van geven en nemen. Het leidt tot het open houden van de dialoog, procesversnelling, instappers meenemen, en een onderscheidend imago van het plangebied en de mogelijkheid om de belangenafweging in het planproces te beïnvloeden. Uiteindelijk resulteert dit in kosteneffectiviteit.
Als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg, dus stap uit je spoor en zorg dat je naast een archeologisch wetenschappelijke ook een maatschappelijke bijdrage levert. Dan wordt archeologie en erfgoed het vakgebied van de toekomst.

Terug naar nieuwspagina

Waar kunnen we je mee helpen?

TML helpt je graag met archeologische projecten of erfgoedvraagstukken. Neem contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.

contact

Waar kunnen we je mee helpen?

TML helpt je graag met archeologische projecten of erfgoedvraagstukken. Neem contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.

contact